pH en EC zijn de twee getallen die je het vaakst tegenkomt op een specificatieblad van een substraat. Ze zeggen veel over hoe een plant zich in de eerste weken zal ontwikkelen, en ze blijven tijdens de hele teelt een goede graadmeter. Toch worden ze geregeld verkeerd gemeten of verkeerd geïnterpreteerd. Een korte uitleg.
pH: de zuurgraad
De pH geeft aan hoe zuur of basisch het substraat is, op een schaal van 0 tot 14. Een pH van 7 is neutraal, lager is zuur, hoger is basisch. De schaal is logaritmisch: een pH van 5 is tien keer zo zuur als een pH van 6.
De pH bepaalt vooral hoe goed voedingselementen beschikbaar zijn. Bij een te hoge pH zijn ijzer, mangaan en fosfaat minder goed opneembaar en zie je bijvoorbeeld gele jonge bladeren. Bij een te lage pH kunnen sommige sporenelementen juist in te hoge concentraties vrijkomen. Voor de meeste gewassen in organische substraten ligt het goede gebied tussen pH 5,5 en 6,5. Dat is lager dan in een minerale tuingrond. Zuurminnende gewassen zoals rododendron, heide en blauwe bes willen het nog zuurder, tussen pH 4 en 5.
EC: de hoeveelheid opgeloste zouten
De EC (elektrische geleidbaarheid) meet hoeveel opgeloste zouten er in het substraatvocht zitten, uitgedrukt in mS/cm. Voedingselementen zijn zouten, dus een hogere EC betekent in de regel meer voeding. Maar ook ongewenste zouten zoals natrium en chloride tellen mee.
Een te lage EC betekent te weinig voeding: de plant groeit langzaam en bleek. Een te hoge EC maakt het voor wortels moeilijker om water op te nemen en kan bij jonge planten en stek tot wortelschade leiden. Daarom hebben opkweeksubstraten een lagere EC dan substraten voor sterk groeiende potplanten.
De meetmethode bepaalt het getal
Een EC-waarde zegt alleen iets als je weet hoe er gemeten is. Voor potgronden en substraten wordt in Nederland meestal de 1:1,5-volume-extractie gebruikt: één deel substraat wordt gemengd met anderhalf deel gedemineraliseerd water, waarna pH en EC in het extract worden gemeten. De indicatieve waarden in onze specificaties gaan uit van deze methode.
Meet je zelf op een andere manier, bijvoorbeeld in drainwater of met een sensor direct in het substraat, dan krijg je andere getallen. Die zijn niet fout, maar ook niet één op één vergelijkbaar. Vergelijk dus altijd metingen die op dezelfde manier zijn gedaan.
Zelf meten: zo pak je het aan
- Neem monsters uit meerdere potten en uit de wortelzone, niet alleen uit de bovenlaag.
- Meng de monsters tot één representatief monster.
- Gebruik gedemineraliseerd water en een gekalibreerde meter.
- Laat het extract even staan voordat je meet, zodat de zouten goed oplossen.
- Noteer datum, partij en meetmethode, zodat je metingen in de tijd kunt vergelijken.
Wil je een volledig beeld, inclusief de afzonderlijke voedingselementen? Laat dan een substraatanalyse uitvoeren door een laboratorium.
Wat beïnvloedt de pH tijdens de teelt?
- Gietwater: water met veel bicarbonaat verhoogt de pH geleidelijk. Regenwater en osmosewater doen dat nauwelijks.
- Stikstofvorm: voeding met veel ammonium verlaagt de pH in de wortelzone, voeding met vooral nitraat verhoogt die.
- Kalk: ingemengde kalk reageert in de eerste weken nog na; de pH kan dan nog wat oplopen.
- Grondstoffen: veen en bark zijn van nature zuur, kokos is ongeveer neutraal.
Bijsturen
Is de EC te hoog, dan helpen een of meer royale watergiften met schoon water om overtollige zouten uit te spoelen, gevolgd door een aangepaste voedingsconcentratie. Is de EC te laag, verhoog dan de bijbemesting geleidelijk en meet na een week opnieuw.
Een pH die te ver oploopt, stuur je bij met een voedingsschema met meer ammonium of door het gietwater aan te zuren. Een te lage pH corrigeer je met een voedingsschema met meer nitraat, of bij een volgende partij substraat met meer kalk. Kalk achteraf op de pot strooien werkt traag en ongelijkmatig.
Veelgemaakte fouten
- Alleen de bovenlaag bemonsteren.
- Kraanwater gebruiken voor het extract.
- Een meter gebruiken die al maanden niet is gekalibreerd.
- Waarden uit verschillende meetmethoden met elkaar vergelijken.
- Pas meten als er al symptomen zijn, in plaats van op vaste momenten.

















